Currently traveling and volunteering throughout Europe. #homeiswhereyouparkit #socialmediadetox21687589_1587699634606658_1274612070770086127_n.jpg

 

nescor

Last night, at the “Etmaal van de Communicatiewetenschap 2017”, I won the NeSCoR (Netherlands School of Communication Research) Dissertation Award 2015. Special thanks go to my PhD supervisor Prof. Enny Das and the Communication Science Department of VU University Amsterdam.

Blog voor http://cls.ruhosting.nl/stroomstoring/

andre

Rampen zijn altijd mooi materiaal voor communicatie-onderzoek. Neem de stroomstoring van afgelopen dinsdag in Amsterdam, goed voor 1600 tweets van bijna 1400 gebruikers met een potentieel bereik van 4 miljoen mensen.

Om 4:45 uur meldt netbeheerder Liander: “#Stroomstoring omgeving #Amsterdam, #Zaandam, #Landsmeer.  De verwachte eindtijd is 6:30 uur. #Liander”.

Een fraai stukje webcare. Webcare houdt in dat een organisatie het publiek informeert via verschillende online kanalen. Bijna elke serieuze organisatie doet aan webcare, inclusief Liander.

5:30 uur: “#Stroomstoring #Amsterdam, #Zaandam, #Oostzaan. Er zitten ongeveer 364.000 klanten zonder stroom. De verwachte eindtijd is onbekend.#Liander”

5:33 uur: “Door het hoge telefonische aanbod zijn we op dit moment slecht bereikbaar. We doen ons best u zo snel mogelijk te woord te staan. #Liander”

6:03 uur: “#Stroomstoring in grote delen #Amsterdam #Zaandam #Landsmeer (360.000 huishoudens). We werken met man en macht aan een oplossing”

Twitter explodeert. Liander wordt bestookt met algemene vragen (“Graag meer info Liander. Wat is oorzaak? Waarom zo lang? Welke noodmaatregelen thuis mogelijk?”), specifieke vragen (“Hoe laat is het begonnen met stroomuitval in Amsterdam? Ivm diepvriesproducten”) en klachten (“Het is -5 en m’n kachel doet ‘t niet. Godver”), maar antwoorden blijven uit. Het is zes uur ’s ochtends, geen tijdstip waarop de gemiddelde communicatie-afdeling klaarstaat om vragen te beantwoorden.

Ook zelf ben ik dupe van de storing. De wekker is ermee opgehouden, waardoor ik anderhalf uur later naast mijn bed sta dan gepland. De loodgieter is wel keurig op tijd, treft mij in slaapdronken toestand, en weet te melden dat de hele stad donker is. “Verkeerslichten, straatlantarens; niets doet het. Levensgevaarlijk”, zegt hij, en hij gaat aan de slag.

Dan slaan ineens alle apparaten aan. Overal klinkt gezoem. De wereld start opnieuw op.

Het treinverkeer is nog steeds een puinhoop. Eigenlijk zou ik naar Nijmegen moeten, waar gesprekken met studenten staan ingeroosterd.

Bij Liander is Maaike intussen op kantoor gearriveerd, die op alle reacties hetzelfde bericht stuurt in een ultieme poging om alsnog persoonlijke antwoorden te geven: “@born2bewise @Diek0 Inmiddels heeft iedereen weer spanning. Excuses voor het ongemak ^Maaike”.

Mensen willen graag iets horen. Bij de NS grijpt de machinist altijd meteen naar de microfoon als de trein ergens stilstaat: “Dames en heren, we staan nog even te wachten voor een rood sein. Als het sein weer op groen staat gaan wij weer rijden en onze reis vervolgen in de richting van het volgende station, station Utrecht.” Tamelijk nietszeggend, de trein gaat er immers niet sneller van rijden, maar toch zijn we weer even gerustgesteld. Gelukkig. We weten wat er aan de hand is. Ga maar lekker zitten. We gaan straks weer rijden.

Het leuke van Twitter is dat niet alleen de organisatie openbaar een mededeling kan doen, maar ook dat je de vragen en ergernissen van mensen kunt lezen. Alsof je in de hoofden van alle passagiers kunt kijken op het moment dat de machinist de vertraging omroept.

Elke vraag, mening of ervaring lijken we direct te willen delen op het wereldwijde web. Ik vraag me af of we allemaal stiekem op zoek zijn naar een constant gevoel van bevestiging en geruststelling. Hoe ga je immers om met een stroomloze chaotische wereld waarin je misschien moet vrezen voor het leven van je diepvriesproducten?

Ik heb niet getwitterd, dinsdag, en ben niet naar Nijmegen gegaan. Ik ben thuis gebleven en heb met mijn studenten geskypet.

Geschreven voor: http://cls.ruhosting.nl/geschreeuw-over-wetenschappelijke-integriteit/

Geschreeuw in de wetenschap

calimero

Er wordt aardig wat afgeschreeuwd over de wetenschap en haar integriteit; het lijkt helemaal mis. Op fora beklagen mensen zich over hun gebrek aan vertrouwen, vrienden vragen aan mij: “goh.. maar… jij kunt toch gewoon achteraf dingen rechtbreien die eigenlijk krom zijn?”, en ook in de media wordt veelvuldig aandacht besteed aan wetenschappelijke integriteit. Ik wil zeker niet beweren dat deze aandacht onterecht is, anders had ik me ook niet zo betrokken gevoeld, maar ik denk wel dat het goed is als we een genuanceerder beeld schetsen van waar al het geschreeuw nu eigenlijk om draait. Als we beter weten waar we over praten, kunnen we gezamenlijk ook op zoek naar mogelijke oplossingen.

Laten we dan eens beginnen bij het geschreeuw. Het geschreeuw lijkt te worden overheerst door zwart-witdenken, achterdocht en fraudegevallen als Diederik Stapel. Allereerst Diederik Stapel. Zonder dat ik al te veel aandacht wil besteden aan deze man is hij in Nederland wel de grote trigger geweest voor de discussie rondom onderzoeksintegriteit. Voor degene die wat vergeetachtig is: Diederik is in 2011 betrapt op fraude binnen de wetenschap. Hij verzon studies met ‘catchy’ onderwerpen en zat vervolgens op zolder stiekem zelf data in te voeren om op die manier prachtige studieresultaten te publiceren. Denk bijvoorbeeld aan het onderzoek dat liet zien dat mensen hufters werden als ze aan vlees dachten. Diederik is mijns inziens een extreem geval, ik geloof niet dat veel wetenschappers op een zolderkamer tegen heug en meug alle M&M’s opeten die eigenlijk voor zogenaamde proefpersonen bestemd waren. Maar deze fraudezaak heeft er wel voor gezorgd dat de kwaliteit van onderzoek binnen de sociale psychologie (en later andere onderzoeksvelden) onder de loep werd genomen, en er werd al snel geroepen dat het hele veld last had van “sloppy science” of “questionable research practices”.

Wetenschappelijk gerommel

Met andere woorden, niet iedereen lijkt even netjes om te gaan met de data die worden verkregen. Bepaalde datamanipulaties kunnen (bewust of onbewust) zorgen voor betere studieresultaten. Voordat Diederik door de mand viel werd er binnen de wetenschap al wel degelijk aandacht besteed aan het gevaar van “questionable research practices”. Zo publiceerden Simmons, Nelson, en Simonsohn in 2011 een artikel over bepaalde handelingen die de kans vergroten op het vinden van resultaten die eigenlijk niet kloppen. Dit soort artikelen krijgen echter veel minder aandacht dan een flitsend nieuwsitem over een fraudegeval. Het werkelijke geschreeuw begon dan ook met een (terechte) beschuldiging van Diederik, veelal neergezet als een aandachtsgeile gek geobsedeerd door succes, die de naam van wetenschap te grabbel heeft gegooid.

En daar begon de achterdocht: wie kunnen we wel vertrouwen en wie niet? En het zwart-witdenken: er bestaan ‘goede’ en ‘foute’ wetenschappers. Eén van de oplossingen die vaak wordt genoemd is dat er meer aandacht moet komen voor replicatiestudies. Met andere woorden, eenzelfde studie moet herhaald worden met een andere steekproef om te bekijken of dan nog steeds dezelfde uitkomst wordt gevonden. “Fact-checking” zorgt echter niet voor een flitsende carrière binnen de wetenschap. Replicaties krijg je moeilijk gepubliceerd. Innovatieve bevindingen zorgen voor een grotere kans op publicatie en onderzoeksprijzen. Omdat replicaties niet zo populair zijn maar repliceren wel belangrijk is, zijn er een aantal projecten opgezet om replicaties te stimuleren (voor voorbeelden, check de link naar het artikel onderaan).

Helaas lijken dit soort projecten nog wel eens te worden ervaren als een ‘heksenjacht’, oftewel we gaan met vingertjes wijzen. Wanneer een replicatiestudie de originele bevindingen niet aantoont beginnen wetenschappers naar elkaar te schreeuwen en met modder te gooien. Je kunt online schaamteloze welles-nietesdiscussies vinden waar wetenschappers pijnlijk op elkaars teentjes trappen (GTST is er niets bij). Maar één replicatie zonder resultaat betekent niet automatisch dat de originele studie door een fraudeur is uitgevoerd. De replicatie zorgt immers enkel voor een beetje extra informatie; met de ene steekproef komt de verwachting wel uit, met de andere steekproef niet. Deze uitkomst zou eerder tot nieuwe onderzoeksvragen moeten leiden.

“Het systeem is groot, en ik ben klein; en dat is niet eerlijk!”

Ik denk daarom dat het goed zou zijn als we het oppervlakkige geschreeuw en het wijzen met vingertjes achter ons laten en ons gaan focussen op het grote geheel, en onze eigen rol als onderzoeker binnen dat geheel. Op deze manier komen we hopelijk tot nieuwe inzichten. Is al het geschreeuw terecht? Wat is nu eigenlijk de kern van het probleem? Kunnen we hier iets aan doen? En zo ja, hoe dan?

Dr. Jos Hornikx en ik hebben voor een Perspectief-nummer van het Tijdschrift voor Taalbeheersing een eerste aanzet gedaan om ook binnen de Taalwetenschap de integriteitsdiscussie op gang te brengen (voor het artikel, zie de voorgaande post op deze pagina). In dit artikel benaderen we de wetenschap als een systeem gebaseerd op schaarste (gebaseerd op de ideeën van McQuarrie; 2014), beschrijven we de problemen die daaruit voortvloeien en benoemen we mogelijke oplossingen die al eerder door wetenschappers zijn aangedragen. Het idee is dat andere onderzoekers op dit artikel reageren, om samen een completer en genuanceerder beeld te vormen.

Dus, laten we uit onze slachtofferrol stappen. Ja, het systeem is groot en het zit ingewikkeld in elkaar. Maar het systeem is ook iets dat we samen hebben gecreëerd, en is daarmee niet statisch. Ik heb er dan ook alle vertrouwen in dat we ons als kudde wetenschappers langzaam de goede kant op kunnen bewegen.

Vanaf dit jaar verschijnen er in het Tijdschrift voor Taalbeheersing Perspectief-nummers, waarin wordt stilstaan bij actuele kwesties in de taalbeheersing.

De hoofdbijdrage van het eerste Perspectief-nummer is getiteld ‘Integriteit in kwantitatief, empirisch onderzoek: problemen en mogelijke oplossingen’, geschreven door Dr. Jos Hornikx en Dr. Anika Batenburg. Zij geven een kort overzicht van de problemen die veelvuldig worden genoemd bij het opzetten en uitvoeren van empirisch kwantitatief-toetsend onderzoek. Collega’s uit het vakgebied worden uitgenodigd om te reflecteren op de geschetste problemen en op mogelijke oplossingen. In het eerste Perspectief-nummer zullen deze reacties uit het veld tegelijk verschijnen met de hoofdbijdrage en met een samenvattend slotwoord. Collega’s zijn van harte uitgenodigd om te reageren op de hoofdbijdrage (die is te vinden via deze link).

Daarbij gelden de volgende regels:
– Een reactie heeft een informatieve titel die de lading dekt van de bijdrage en die afwijkt van de titel van de hoofdbijdrage.
– De eerste optie is een reactie van maximaal 2000 woorden lang (inclusief referenties). Een andere optie is een langer artikel; de lengte wordt dan overlegd met de redactie.
– Vermijd zoveel mogelijk redundantie met het hoofdartikel. Als je ingaat op een bewering of mening in het hoofdartikel is het uiteraard wel nodig om daarnaar te verwijzen.
– Reacties worden onderworpen aan een peer review proces waarbij de aandachtspunten vooral de onderbouwing, begrijpelijkheid en leesbaarheid zijn.

Je kunt je reactie uiterlijk 15 juni opsturen naar het redactiesecretariaat: n.hemmen@rug.nl (Noortje Hemmen).

 

TvcDr. Annemarie van Oosten (University of Amsterdam), Dr. Marijn Meijer (University of Amsterdam) and Dr. Anika Batenburg (Radboud University Nijmegen) are guest editors for a special issue on replication studies in the ‘Tijdschrift voor Communicatiewetenschap’. The goal is to replicate important findings within communication science in order to get more insight into the robustness and reliability of these results.
The deadline for proposal submissions (theory + method) is 15 January 2016. Publication of the special issue is planned for the beginning of 2017. More info: http://www.nefca.eu/pdf/Call_replicatie-onderzoek.pdf

Parool_pag1In Het Parool van 17 juni 2015 verscheen een artikel (geschreven door Marianne Eggink) over online lotgenotencontact, onder andere naar aanleiding van mijn promotieonderzoek.

Je kunt het hier nalezen:

Het Parool, p. PS8

Het Parool, p. PS9

Voorafgaand aan het verdedigen van het proefschrift voor de wetenschappelijke commissie krijgt de kandidaat 10 minuten om te vertellen over de belangrijkste onderzoeksbevindingen (het zogenaamde “lekenpraatje”).

(11 juni 2015, VU University Amsterdam)

DSC00185 11393210_904590129602298_8156181891090861179_n

voorkant dissertatie4Proefschrift (Dissertation)

“Een online lotgenotenforum voor patiënten kan negatieve gevoelens verminderen, maar werkt niet voor iedereen even goed. Vooral voor patiënten die moeite hebben met het uiten van hun emoties is een lotgenotenforum een goed hulpmiddel. Voor patiënten die bang worden van negatieve verhalen van andere lotgenoten lijkt zo’n online forum een minder goed idee. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Anika Batenburg, naar de psychologische effecten van forumbezoek onder borstkankerpatiënten. Zij verdedigt haar proefschrift op 11 juni.

Steeds meer patiënten zoeken contact met lotgenoten via online fora, onder andere om informatie te delen over de ziekte en elkaar emotioneel te steunen. Er was echter nog weinig bekend over de psychologische effecten van het deelnemen aan online lotgenotenfora. Het onderzoek van Batenburg geeft daar meer inzicht in.

Over het algemeen hadden de patiënten baat bij het intensief gebruiken van een forum, zo bleek. Onderling waren er wel verschillen. Batenburg suggereert dat patiënten die bang worden van negatieve verhalen van anderen beter een familielid of vriend(in) kunnen vragen om online op zoek te gaan naar informatie.”

Klik hier voor meer informatie / Click here for English and more information

One size fits all? Why online breast cancer support communities might not be equally helpful for every patient

Written for

one_size_headline

Imagine you accidently hit that stupid dining table with your foot again (Ouch!). As a result you suffer from an immense pain in your little toe for several days already. I bet you would go online to search for resolutions to cure this annoying pain. Aside of such trivial health problems, many people go online when they have to deal with serious health issues. In case of severe illnesses, such as a cancer diagnosis, patients not only search for relevant information but often also search for support from people who are in the same situation. The last three years I studied online support communities for breast cancer patients. In this blog I like to share the findings of one of my studies (conducted together with Enny Das), which is recently published in the Journal of Medical Internet Research.

We know from scientific research that breast cancer patients are among the most active group of patients searching for social support online. For this purpose patients or ex-patients set up online communities to meet each other on the Internet. On these online message boards (also called discussion boards or online forums), patients share their personal illness stories, search for understanding from people who can relate to their situation, and look for recognition in the stories of others. These online platforms seem to be especially appealing because patients can talk anonymously with fellow patients, from anywhere, whenever they like.

Yet, up to now, nobody knows for sure whether such online communities are actually helpful for patients. In other words, does online forum participation substantially contribute to patients’ psychological wellbeing?

The last two decades, several researchers studied such online communities. Most of these studies are descriptive in nature. That is, researchers conducted interviews with participants or analysed their online conversations. These studies showed that patients generally appreciate the online support group and prove the presence of empowering processes and therapeutic aspects. Nevertheless, there are also some downsides. For example, patients mentioned that they sometimes have difficulties dealing with stories containing negative sides of the disease, and for that reason sometimes withdraw from the online community. There are only a few studies that empirically tested the effects of participating within an online support community on patients’ psychological wellbeing. Results of these studies, however, are mixed. Some studies showed positive effects, some showed no effects, and a few others even showed negative effects.

So why do online support groups seem to be beneficial for patients in some cases and detrimental in other cases?

In my PhD project we propose that these mixed findings might be caused by individual differences. This online “magic black box” appears as very helpful at first sight, but it might not work for everyone equally because patients differ among various aspects. Patients, for example, differ in how active they are within the online community, the stage of breast cancer they are in (from an early treatable stage to a very severe stage), the amount of support they receive from their family and friends, and how they deal with their illness psychologically. Results from my recently published study indeed showed that these individual differences were all related to patients’ psychological wellbeing. Moreover, these differences might have an influence on the effects of participating within an online support community as well. The current study showed that it was of importance how actively online participants dealt with their emotions.

We already know from previous research on the psychological wellbeing of cancer patients that it is generally beneficial to actively deal with emotions rather than repressing them. Our findings showed that this was especially important for patients who are very active within an online support community. Online active patients who dealt actively with their emotions felt significantly better than patients who were equally active online but did not approach their emotions. We found no differences for patients who were much less active online. You can find a graph with the exact results in the following infographic.

Created by Anika Batenburg

So what to conclude from these results?

On these online platforms patients write and read about emotional cancer experiences. It might be that patients who know how to deal with emotions are more resilient to the negative stories they encounter online, and therefore are able to benefit from active online participation. For patients who are not dealing with their emotions, however, online active participation might backfire. They not only have to deal with their own difficulties, but are also confronted with stories from others that provoke additional distress they cannot cope with. However, future research must track patients over a longer period of time to prove effects. For example, it could be that patients who less actively deal with emotions can learn over time how to express their emotions from their online peers.

To wrap this up, are breast cancer patients best advised to go online and actively take part in an online support community? Well, we still cannot answer this question with a simple ‘yes’ or ‘no’. Nevertheless, these results indicate that actively processing and expressing thoughts and emotions is of importance, especially when patients search for support online. Furthermore, researchers and health professionals should realize that one size might not fit all. Other external factors, such as patients’ personal situation and individual personality (for example how patients deal with emotions), might influence the effectiveness of such online support platforms.

The scientific article covering this study is published in the Journal of Medical Internet Research and available online here.